Stotteren

Verspreidingen aanleg               
Niemand wordt als stotteraar geboren. Wel verschillen pasgeborenen wat betreft de kans dat ze gaan stotteren. In bepaalde families bestaat een verhoogd risico van stotteren. Als de aanleg aanwezig is, zal het jonge kind waarschijnlijk tussen zijn 3de en 6de praten met aarzelingen, herhalingen en onderbrekingen. Het stotteren begint meestal voor de leeftijd van 10 jaar.
Als men het stotteren op kinderleeftijd meerekent, heeft ong 5% van de bevolking gedurende een kortere of langere episode van zijn leven gestotterd. In 4 van de 5 gevallen wordt de weg naar vloeiend spreken teruggevonden, zodat ca 1% van de bevolking chronisch stottert.
Opmerkelijk is dat er overal meer mannen  stotteren dan vrouwen, en een verhouding van 4:1.


emotioneel aspect
Stotteren bestaat uit meer dan niet-vloeiend spreken. Stotteren bestaat voor een groot deel uit manoeuvres die ertoe dienen het stotteren te vermijden. Rondom de oude symptomen groeit daardoor een schil van nieuwe verschijnselen. Op den duur is het moeilijk een onderscheid te maken tussen oorspronkelijke, primaire haperingen en de instrumentele manoeuvers die tot doel hebben die verschijnselen uit te stellen, te verbergen of te vermijden. Terwijl het stotteren verder escaleert, krijgen de stottergedragingen telkens een andere functie.   
De gevoelens van onzekerheid die het stotteren kunnen begeleiden, komen evenzeer voor bij kinderen als volwassenen. De angst te worden beoordeeld, de angst om tekort te schieten, afgewezen te worden komen ook bij normale sprekers voor, maar ze hebben een negatieve uitwerking op het stotteren.


Begeleidende bewegingen
Knipperen met ogen
Wenkbrauwen optrekken en fronsen
Schichtig wegkijken
Gesprekspartner abnormaal lang aanstaren
Neus optrekken
Lippen bevochtigen
Romp en hoofd afwenden
Verzitten
Trommelen met vingers
Hand in haar
Aan neus/mond zitten
Schokbeweging met het hoofd maken
Ogen/mond wijd opensperren
Slurpende of gierende ademhaling
Schokken met schouders
Slaan met hand/arm/vuist
Wippen met been
Trappen met voet


Broddelen
Broddelen lijkt soms op stotteren en omgekeerd. Ze komen dan ook meestal samen voor. Bij broddelen wordt het spreken gekenmerkt door :
- een onvolkomen taalbeheersing: moeite met het vinden van de juiste woorden en met de zinsbouw, grammaticale inconsequenties
- slecht gearticuleerde spraak:, moeite met de juiste uitvoering van de spreekbewegingen
- een onaangepast spreektempo, bv zeer snel en toonloos spreken.


Invloed van de omgeving
De verschijnselen van stotteren treden in de aanvang vaak episodisch op. Soms vertoont een kind aarzelingen en haperingen in het spreken, dan weer spreekt het een periode lang vloeiend. De omgeving veroorzaakt geen stotteren. Wel kunnen bepaalde factoren het stotteren uitlokken of versterken. De belangrijkste zijn spanning en snelheid. Veranderingen in korte tijd, negatieve sfeer of taboesfeer, verstoord evenwicht tussen capaciteiten en eisen, … zijn zaken die ook een invloed hebben. Stotteren kan ook uitgelokt worden door vermoeidheid en opwinding.


Onderzoek
Niet iedere onvloeiendheid is stotteren, en het is vooral de frequentie van herhalingen, de gespannenheid van pauzes die de diagnose bepaalt.
In een vroeg stadium van de ontwikkeling van stotteren worden vooral woorden, lettergrepen en klanken herhaald, in een latere fase worden spraakklanken verlengd of door spanning of inhibitie geblokkeerd. Wanneer de ernst van de verschijnselen toeneemt, is dat een reden om advies in te winnen van een in stotteren gespecialiseerde logopedist.
Bezorgdheid van de ouders is op zichzelf al een reden. Ouders hebben behoefte aan voorlichting en steun als de ontwikkeling niet helemaal normaal verloopt. Door het probleem te erkennen, neemt de ongerustheid niet toe, maar af. 
Een onderzoeker beschikt niet over fonetische tijdsregistratie of spierfysiologische registratie. Alleen de persoon die stottert zelf kan zeggen wanneer hij stotteren gaat vermijden omzeilen,… Dit laat zich moeilijk als een objectief waarneembaar fenomeen beschrijven. Toch is het heel relevant. Het vergt ook een goed op de patiënt afgestemde onderzoekshouding en kennis van zaken om daardoor heen te zien. Vandaar  het belang van gespecialiseerde hulp! Vroegtijdige herkenning en behandeling is essentieel. Uit onderzoek blijkt dat wanneer hulp geboden wordt voor de leeftijd van vijf jaar, het succespercentage 82 procent is. Stotterfobie kan dan geen onderdeel worden van het stottercomplex, namelijk wanneer het haperend spreken een aantal maal gevolgd is door sterk negatieve ervaringen ontstaat er verwachtingsangst. Deze verwachtingsangst kan op zijn beurt terug resulteren in vermijdingsangst.

Therapie
De therapie voor jonge kinderen bestaat uit een niet rechtstreekse uitvoering en een op spreekgedrag gerichte interventie (directe en indirecte therapie). Er wordt steeds gewerkt met een vorm van speltherapie daar dit essentieel is naar motivatie van het kind toe. De motivatie bepaalt grotendeels de slaagkans van therapie.


Indirecte therapie:
- Zelfvertrouwen verbeteren van het kind
- Spreken aangenaam maken en acceptatie  met de bedoeling dat er op hapering niet gereageerd wordt met negatieve gevoelens en vermijdingsreacties
- ouders informeren en interactie met het kind begeleiden
- verminderen stotteruitlokkende en instandhoudende factoren


Directe therapie:
- modificatie van spreekgedrag via aanpassing van spreektempo en prosodie en intonatie
- positieve bevestiging naar kind toe
- kennisgeven over stotteren op niveau van het kind
- modificatie van secundaire gedragingen
- begeleiding zelfstandig oefenen


Adolescenten en volwassenen
Er zijn 2 grote lijnen in de behandeling te onderscheiden:
- vloeiendheidstraining door aanwenden van een andere spreektechniek en het aanwennen van een laag spreektempo.
- modificatie van emotioneel aspect: de onrust, het vermijdingsgedrag, het negatief zelfbeeld, schaamte, ontkenning
Het is geen streefdoel nooit meer te stotteren. Aanvaarding hiervan is een belangrijk onderdeel in therapie. Wel wordt er gestreefd om controle over het eigen spreken te verwerven. Bij regelmatig gebruik van beheerst spreken wordt de weg geopend naar de cognitie niet meer overgeleverd te zijn aan de grillen van vermijdingsreflexen. Dat versterkt het zelfvertrouwen, waardoor je zonder je spontaneïteit op te geven, een assertievere spreker wordt. Als spreken breng je dit tot uitdrukking door meer zelf de tijd te nemen en stottermomenten niet uit de weg te gaan, maar ze op het moment zelf dat ze zich voordoen met adequate middelen op te vangen.